Zweedse wanten

Ik heb een oud project eens opgepakt. Wanten breien.

Heerlijk grasduinen tussen allerlei scandinavische motieven. Voor de rood – groene wanten vond ik een mooie bloem in een oud Zweeds breiboek. De blauw – gele wanten hebben een oud Viking motief, de diamant keper. Dit motief is zelfs terug gevonden op een gewoven jurk uit IJsland uit de 10e eeuw. In die jurk waren de kleuren  grijsblauw en okergeel. De wol was geverfd met indigo en wede.

Ik ben deze keer voor het gemak naar de wolwinkel van spinnerij Fonty gegaan. Die ligt hier bijna om de hoek en heeft enorme schappen met uitgaande kleuren en afgekeurde wol. Daar kan ik ook uren staan snuffelen!

 

Suikerspin

Nog steeds druk aan het experimenteren met het mengen van verschillende soorten wol. Het doel is een mooie vette wol, met veel lanoline, die goed tot een gelijkmatige dunne draad is te spinnen.
Die vette wol is niet te verven, daar ben ik nu wel achter, dus om ook om kleur te krijgen zal ik moeten mengen met een wol die wel de verfstof opneemt.
Spannende projekten.

Deze klos is witte wol gemengd met een restje geverfd met meekrap. Het is zo pluizig dat het lijkt alsof ik een suikerspin aan het spinnen ben!
Ik spin voor deze keer weer een enkele draad omdat ik wil dat het breiwerk straks mooi gaat vervilten.

Twijnen en mengen

Tot voor kort heb ik vooral met wol van mijn eigen schapen, het Zweedse Åsenschaap, gewerkt. Deze wol staat er bekend om dat ie goed vervilt, en daarom werden er vaak stoffen van geweven die licht vervilt werden (vadmal) en daardoor zowel meer slijtvast als waterafstotend waren. Ik breidde mijn stoffen voordat ik ze vervilte, en kreeg een warme stof met een mooie structuur. Voor deze techniek was het goed om met een wat losser gesponnen enkele draad te werken.

Nu wordt het tijd om ook andere dingen uit te proberen. Sinds een paar jaar krijg ik iedere zomer een paar vachten van het Jakobsschaap. Een heel ander soort wol. Zo gemakkelijk om te spinnen, en daardoor werd mijn garen steeds dunner en dunner. Deze draad leent zich uitstekend om te twijnen, van twee draden een draad maken. Twee-draads heeft zo zijn voordelen. Doordat de twist uit de draad is (omdat je eerst linksom spint, en daarna twee draden rechtsom twijnt), trekt het breisel niet scheef. Het garen is ook veel gelijkmatiger en minder kwetsbaar.

Het grootse nadeel is natuurlijk dat het spinnen veel meer tijd in beslag neemt, maar dat moet ik er dan maar voor over hebben.

Nu miste ik bij het Jakobsschaap de zachtheid van mijn oude wol. Het Åsenschaap heeft heel veel lanoline (wolvet) in zijn vacht die de vezels heel soepel maakt en bovendien zacht aanvoelt bij het spinnen.

Dus waarom niet deze twee mengen? Zo gezegd, zo gedaan. 50 % Jakobs, 50 % Åsen. Het mengsel was net zo makkelijk te spinnen als 100 % Jakobsschaap, en er zit een mooiere glans in dankzij de Åsenwol.

Nu nog een proeflap breien en uitzoeken hoe het zit met de vilt eigenschappen. Wordt vervolgd..

Witte wol

De meeste wol die in onze kleding wordt gebruikt komt van het Merinoschaap. Dit schaap komt oorspronkelijk uit Spanje en wordt sinds het begin van de 19e eeuw in grote schaal gehouden in Australië. 80 procent van al onze wol komt daar vandaan, en al die wol is wit.
Logisch natuurlijk, want met witte wol heeft de industrie een zekere basis bij het verven van de garens. De kans is groot dat het verfrecept bij alle baden dezelfde kleur geeft.

Dat is anders bij grijze, grauwe en bruine schapen. De schapenrassen die niet alleen maar wit zijn, zijn dan juist vaak ook een beetje van alle schakeringen. Lichter en donkerder, meer of minder gevlekt. Zo krijg je nooit een constante basiskleur en deze rassen zijn, ondanks vaak bijzondere goede kwaliteit wol, veel minder populair.

Ik heb nu een experiment gedaan met de vacht van één Jakobsschaap (wit met bruine vlekken). Om alle 10 strengen van 50 gram van de zelfde nuance te laten zijn, moest ik ze onderling wel tot 8 keer mengen en opnieuw kaarden. Een behoorlijk karwei.

Deze grijze wol ben ik vervolgens gaan verven met de cochenille. Het is mij opgevallen dat juist grijze wol zulke mooie intense kleuren geeft. Er zit meer diepte in, lijkt het wel.

Om die reden heb ik wat wol uit Zweden gekocht van het Gotlandsschaap. Prachtige grijze krullen. De wol is nu gewassen en wordt het uitgangspunt voor nieuwe experimenten.

Cochenille

Zo in de winter als er geen verse planten meer te vinden zijn is het een goed moment om met cochenille te verven. Voor een project verzamel ik nu zoveel mogelijk tinten, van helder rose tot diep rood. Het is heel bijzonder hoeveel heldere tinten met dit beestje te krijgen zijn. Cochenille is namelijk een schildluis, de dactylopius coccus. In Europa pas bekend sinds de 16e eeuw. Ze komt uit Mexico en Peru en leeft van het sap van schijfcactussen. In die tijd werd er wel al geverfd met een Europese variant van de cochenille, de kermes luis, maar deze was veel moeilijker te oogsten aangezien deze op wortels onder de grond leefde. Bovendien is cochenille rood erg goed was- en lichtecht. De verfstof werd al snel razend populair in Europa.


Inmiddels wordt textiel geverfd met een chemische variant, maar kan je de cochenille nog terugvinden als kleurstof in allerlei levensmiddelen onder de naam E120.
De pH waarde van een verfbad heeft invloed op de kleur. Cochenille kleurt warmrood in een zuur verfbad en neigt meer naar paars in een basisch bad.  Kraanwater is per definitie basisch, dus een pH waarde van 7+. Net als het water uit de meeste beken en riviertjes. Omdat ik nu juist rode tinten wil, gebruik ik regenwater, waar de pH waarde meestal minder dan 7 is. De wollen op de foto zijn allemaal voorgebeitst met aluin en wijnsteen. De dieprood is geverfd op grijze wol met cochenille en een vleugje meekrap.