Shibori

Vorig jaar heb ik een aantal lappen gestikt en gevouwen met shibori technieken, en daarna geverfd met indigo.

De lappen waren eigenlijk te klein om iets van te maken (het waren ook maar proeflapjes) totdat ik het idee kreeg voor een mouwloos blousje voor mijn dochter.

Zie hier het resultaat.

(Text continues below the photos)

Shibori

Last year I’ve been folding and stitching some pieces of cloth with shibori techniques and dyed them in indigo.

The pieces were too small to make something of (they were only test pieces) until I got the idea to make an armless blouse for my daughter.

And this is the result.

Op zoek naar groen, deel 3

Dit is ‘m dan, het truitje voor Roos. Vanwege het ajourpatroon heb ik er geen vestje van gemaakt.

80% Mohair gemengd met 20% Walliser Schwarznase. Gesponnen en getwijnd, Voorgebeitst met 15 % aluin en 6 % wijnsteen en vervolgens geverfd met duizendblad (achillea millefolium). 

Het kraagje is gebreid van wol van het Jakobsschaap, die prikt niet, en geverfd met meekrap.

(text continues below the photos)

Looking for green, part 3

So this is it, the pullover for Roos. Because of the lace pattern I decided to not make a cardigan.

It’s made of 80% Mohair, blended with 20% Walliser Schwarznase. Spunn and twisted. Mordanted with 15% Alum and 6% Tartar, and offcourse dyed with common yarrow (achillea millefolium).

The neck is made of the wool of the Jakobsheep, it doesn’t stick.. dyed with madder.

Meekrap

Dit jaar heb ik voor het eerst meekrap (rubia tinctorium) gekweekt. Vooralsnog staan de planten in potten in de kweektuin, zodat we ze water kunnen geven. Ik hoop dat ik de planten later dit jaar in de verfwei kan zetten, als de grond weer vochtig is, na deze lange, droge zomer.

Volgens “de regels” kunnen de wortels van meekrap in het derde jaar geoogst worden, maar natuurljk kan ik niet zo lang wachten. Dus ik heb van een paar planten de wortels uitgegraven en ze in een glazen pot met regenwater gestopt. Ik heb er wat, met aluin voorgebeitste proefstaaltjes bij gedaan en de pot in de zon gezet.

De lichtste kleur heeft maar een dag in de pot gezeten, de middelste kleur vier dagen. De donkerste kleur was ik vergeten en heb ik na ongeveer drie weken uit de pot gehaald. Meer tijd geeft dus meer kleur bij zon-verven.

(Text continues below the photos)

Madder

This year I grew madder (rubia tinctorium) for the first time. For now the plants are still in pots in the garden, so we can give them water. I hope to plant them in the colour plant field later on this year, when the soil is moisture again after this long, dry summer.

According “the rules” the roots of madder can be harvested in their third year, but off-course I can’t wait that long.. So I’ve dug up some of the roots and put them in a pot off glass with rainwater, and added some alum mordanted samples of wool. Then I put the pot in the sun.

The lightest one had been in the pot for only one day, the middle colour for four days. The darkest one I ad forgotten and has been in the pot for about three weeks. Time does well with solar dyeing!

#meekrap #madder #rubiatinctorium #natuurlijkverven #naturaldyeing #wol #wool

Op zoek naar groen, deel 2

Groen is een moeilijke kleur om natuurlijke te verven. Voor grote projecten wordt groen meestal gemengd met blauw (indigo) en geel (wouw) vanwege de licht- en was echtheid. Of doordat gele verfstof gemengd wordt met ijzer- of kopersulfaat, wat ook groene kleuren oplevert. Voor produkten die niet heel erg lang mee hoeven te gaan, zijn er wel een paar planten die een redelijk bestendige groen geven.

Vorig jaar zomer hebben mijn buurvrouw en ik vrolijk geexperimenteerd met duizendblad (achillea millefolium). De plant staat niet bekend als een geweldige kleurgever, maar er zitten verschillende goede grondstoffen in, dus zeker het proberen waard. Met hulp van azijn, bicarbonaat en ijzersulfaat kregen we prachtige kleuren. Heldergroen, olijfgroen en grijsgroen. Ik heb de proefstaaltjes gewassen en op een zonnige plaats getest, en na één jaar zien ze er nog goed uit.

Ik wou het experiment deze zomer herhalen, en een eventuele mooie groen gebruiken voor het vestje. Ik heb de aantekeningen van vorig jaar er bij gehaald, maar helaas, er viel geen touw aan vast te knopen. Wat was wat, hoeveel, hoe lang gekookt, met wat? Ik vermoed dat de buurvrouw en ik zo gezellig aan het babbelen waren dat we geen aandacht hadden voor onze notities.

Looking for green, part 2

Green is not an easy colour to dye naturally. For big projects green is mostly blended with blue (indigo) and yellow (dyer’s weed) because of it’s fastness, or by adding iron- or coppersulfate to yellow dye, which makes it green as well. For products that doesn’t have to last for a long time there are some plants you can use to get green.

Last summer my neighbour and I have been jolly experimenting with yarrow (achillea millefolium). This plant is not known as a spectacular colour plant, but it contains some good materials, so it’s definitely interesting. With adding vinegar, baking soda and iron sulfate, we managed to get some really nice colours. Clear green, olive green, gray green. I washed the samples and let them on a sunny spot, and after one year they’re still looking good. I wanted to redo this experiment and perhaps use this plant for the cardigan.

When I checked the notes of last year I really got confused. What was what, how much, how warm, with what, etc. I assume my neighbour and I busy talking to concentrate on understandable notes..

(#duizendblad, #achilleamillefolium)

Op zoek naar groen, deel 1

Ik wil een vestje breien voor mijn buurmeisje. De buren hebben twee angora geiten van welke ik de wol krijg, dus het leek me leuk al breiend iets terug te geven.

Angora geiten geven mohair. Zachte pluizige wol. Het leent zich mooi om ajour of kant van te breien.

Maar het vestje wordt voor een kleine stoere meid en moet dus niet te fijntjes worden. Daarom heb ik de wol gemengd met 20% Walliser Schwarznase, een sterke en langdradige wol, die de mohair wat meer stevigheid geeft. Ook heb ik de wol getwijnd, een tweedradige wol is veel sterker.

Als kleur wil ik graag groen. Dat past wel bij een meisje die veel buiten speelt.

Looking for green, part 1

I want to knit a cardigan for my neighbour girl. The neighbours have two angora goats of which they give me the wool, so I thought it might be a good idea to knit something back.

Angora goats give mohair, a soft fluffy wool. It lends itself good for knitting ajour or lace. But the cardigan will be for a little mischievous kid and shouldn’t be to delicate. So I blended the wool with 20 % Walliser Schwarznase, a strong, longhaired wool, to give some firmness to the yarn. I also twisted the yarn which makes it stronger then a single yarn.

As colour I chose green, because I think that fits well to a girl that plays often outside.

Berkenblad

Gisteren drie strengen geverfd met berkenblad. Eerder deze week had ik verse blaadjes geplukt van jonge berken. Dat heb ik laten weken, laten koken en weer laten weken. De dag voor het verven heb ik de wol en de proefstalen voorgebeitst. Een bad met ijzersulfaat, een met kopersulfaat en een met aluin en wijnsteen. Die baden hebben ook een nacht staan weken, en uiteindelijk dus gister de wol een uur tegen het kookpunt in het verfbad gehouden en daarna de hele nacht laten afkoelen in de pan. Vanmorgen de wol er uit gehaald en zie hier het resultaat.

Ik ben verbaasd over de groene kleur, had meer geel verwacht zoals bij eerdere verfbaden met berkenblad. Ligt dat aan het seizoen, dat de blaadjes nog zo vers zijn? Of ligt het aan de voorbeits? Koper- en ijzersulfaat hebben natuurlijk zijn inwerking, maar wijnsteen?

Dit moet dus nog eens gedaan worden, een nieuw verfbad met enkel aluin. Morgen het bos weer in.

Yesterday I dyed three strings with birchleaves. Earlier this week I had picked fresh leaves of young trees. I let it soak some days, boiled it and let it soak again. The day before dyeing I’ve mordating the wool and the samples. One with iron sulfat, one with coppersulfat and one with alum and creme de tarte. Those bath’s have been soaking overnight as well, an d finally I could heat the material in the dyepot up to 90 ˚C for one hour, and let it cool off in the pot overnight. This morning I took the wool out, and here the results. I’m surprised by the moss-green colour. I had expected more yellow as usual with birchleaves. Is it because it’s so early in the season, and the leaves are so fresh? Or is it the mordant? I can imagen the effects of copper and iron, but creme de tarte?

So this has to be done again, but then with only alum as a pre mordant. Out to the forest again tomorrow!

Suikerspin

Nog steeds druk aan het experimenteren met het mengen van verschillende soorten wol. Het doel is een mooie vette wol, met veel lanoline, die goed tot een gelijkmatige dunne draad is te spinnen.
Die vette wol is niet te verven, daar ben ik nu wel achter, dus om ook om kleur te krijgen zal ik moeten mengen met een wol die wel de verfstof opneemt.
Spannende projekten.

Deze klos is witte wol gemengd met een restje geverfd met meekrap. Het is zo pluizig dat het lijkt alsof ik een suikerspin aan het spinnen ben!
Ik spin voor deze keer weer een enkele draad omdat ik wil dat het breiwerk straks mooi gaat vervilten.

Twijnen en mengen

Tot voor kort heb ik vooral met wol van mijn eigen schapen, het Zweedse Åsenschaap, gewerkt. Deze wol staat er bekend om dat ie goed vervilt, en daarom werden er vaak stoffen van geweven die licht vervilt werden (vadmal) en daardoor zowel meer slijtvast als waterafstotend waren. Ik breidde mijn stoffen voordat ik ze vervilte, en kreeg een warme stof met een mooie structuur. Voor deze techniek was het goed om met een wat losser gesponnen enkele draad te werken.

Nu wordt het tijd om ook andere dingen uit te proberen. Sinds een paar jaar krijg ik iedere zomer een paar vachten van het Jakobsschaap. Een heel ander soort wol. Zo gemakkelijk om te spinnen, en daardoor werd mijn garen steeds dunner en dunner. Deze draad leent zich uitstekend om te twijnen, van twee draden een draad maken. Twee-draads heeft zo zijn voordelen. Doordat de twist uit de draad is (omdat je eerst linksom spint, en daarna twee draden rechtsom twijnt), trekt het breisel niet scheef. Het garen is ook veel gelijkmatiger en minder kwetsbaar.

Het grootse nadeel is natuurlijk dat het spinnen veel meer tijd in beslag neemt, maar dat moet ik er dan maar voor over hebben.

Nu miste ik bij het Jakobsschaap de zachtheid van mijn oude wol. Het Åsenschaap heeft heel veel lanoline (wolvet) in zijn vacht die de vezels heel soepel maakt en bovendien zacht aanvoelt bij het spinnen.

Dus waarom niet deze twee mengen? Zo gezegd, zo gedaan. 50 % Jakobs, 50 % Åsen. Het mengsel was net zo makkelijk te spinnen als 100 % Jakobsschaap, en er zit een mooiere glans in dankzij de Åsenwol.

Nu nog een proeflap breien en uitzoeken hoe het zit met de vilt eigenschappen. Wordt vervolgd..

Witte wol

De meeste wol die in onze kleding wordt gebruikt komt van het Merinoschaap. Dit schaap komt oorspronkelijk uit Spanje en wordt sinds het begin van de 19e eeuw in grote schaal gehouden in Australië. 80 procent van al onze wol komt daar vandaan, en al die wol is wit.
Logisch natuurlijk, want met witte wol heeft de industrie een zekere basis bij het verven van de garens. De kans is groot dat het verfrecept bij alle baden dezelfde kleur geeft.

Dat is anders bij grijze, grauwe en bruine schapen. De schapenrassen die niet alleen maar wit zijn, zijn dan juist vaak ook een beetje van alle schakeringen. Lichter en donkerder, meer of minder gevlekt. Zo krijg je nooit een constante basiskleur en deze rassen zijn, ondanks vaak bijzondere goede kwaliteit wol, veel minder populair.

Ik heb nu een experiment gedaan met de vacht van één Jakobsschaap (wit met bruine vlekken). Om alle 10 strengen van 50 gram van de zelfde nuance te laten zijn, moest ik ze onderling wel tot 8 keer mengen en opnieuw kaarden. Een behoorlijk karwei.

Deze grijze wol ben ik vervolgens gaan verven met de cochenille. Het is mij opgevallen dat juist grijze wol zulke mooie intense kleuren geeft. Er zit meer diepte in, lijkt het wel.

Om die reden heb ik wat wol uit Zweden gekocht van het Gotlandsschaap. Prachtige grijze krullen. De wol is nu gewassen en wordt het uitgangspunt voor nieuwe experimenten.

Cochenille

Zo in de winter als er geen verse planten meer te vinden zijn is het een goed moment om met cochenille te verven. Voor een project verzamel ik nu zoveel mogelijk tinten, van helder rose tot diep rood. Het is heel bijzonder hoeveel heldere tinten met dit beestje te krijgen zijn. Cochenille is namelijk een schildluis, de dactylopius coccus. In Europa pas bekend sinds de 16e eeuw. Ze komt uit Mexico en Peru en leeft van het sap van schijfcactussen. In die tijd werd er wel al geverfd met een Europese variant van de cochenille, de kermes luis, maar deze was veel moeilijker te oogsten aangezien deze op wortels onder de grond leefde. Bovendien is cochenille rood erg goed was- en lichtecht. De verfstof werd al snel razend populair in Europa.


Inmiddels wordt textiel geverfd met een chemische variant, maar kan je de cochenille nog terugvinden als kleurstof in allerlei levensmiddelen onder de naam E120.
De pH waarde van een verfbad heeft invloed op de kleur. Cochenille kleurt warmrood in een zuur verfbad en neigt meer naar paars in een basisch bad.  Kraanwater is per definitie basisch, dus een pH waarde van 7+. Net als het water uit de meeste beken en riviertjes. Omdat ik nu juist rode tinten wil, gebruik ik regenwater, waar de pH waarde meestal minder dan 7 is. De wollen op de foto zijn allemaal voorgebeitst met aluin en wijnsteen. De dieprood is geverfd op grijze wol met cochenille en een vleugje meekrap.