Twijnen en mengen

Tot voor kort heb ik vooral met wol van mijn eigen schapen, het Zweedse Åsenschaap, gewerkt. Deze wol staat er bekend om dat ie goed vervilt, en daarom werden er vaak stoffen van geweven die licht vervilt werden (vadmal) en daardoor zowel meer slijtvast als waterafstotend waren. Ik breidde mijn stoffen voordat ik ze vervilte, en kreeg een warme stof met een mooie structuur. Voor deze techniek was het goed om met een wat losser gesponnen enkele draad te werken.

Nu wordt het tijd om ook andere dingen uit te proberen. Sinds een paar jaar krijg ik iedere zomer een paar vachten van het Jakobsschaap. Een heel ander soort wol. Zo gemakkelijk om te spinnen, en daardoor werd mijn garen steeds dunner en dunner. Deze draad leent zich uitstekend om te twijnen, van twee draden een draad maken. Twee-draads heeft zo zijn voordelen. Doordat de twist uit de draad is (omdat je eerst linksom spint, en daarna twee draden rechtsom twijnt), trekt het breisel niet scheef. Het garen is ook veel gelijkmatiger en minder kwetsbaar.

Het grootse nadeel is natuurlijk dat het spinnen veel meer tijd in beslag neemt, maar dat moet ik er dan maar voor over hebben.

Nu miste ik bij het Jakobsschaap de zachtheid van mijn oude wol. Het Åsenschaap heeft heel veel lanoline (wolvet) in zijn vacht die de vezels heel soepel maakt en bovendien zacht aanvoelt bij het spinnen.

Dus waarom niet deze twee mengen? Zo gezegd, zo gedaan. 50 % Jakobs, 50 % Åsen. Het mengsel was net zo makkelijk te spinnen als 100 % Jakobsschaap, en er zit een mooiere glans in dankzij de Åsenwol.

Nu nog een proeflap breien en uitzoeken hoe het zit met de vilt eigenschappen. Wordt vervolgd..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *