Witte wol

De meeste wol die in onze kleding wordt gebruikt komt van het Merinoschaap. Dit schaap komt oorspronkelijk uit Spanje en wordt sinds het begin van de 19e eeuw in grote schaal gehouden in Australië. 80 procent van al onze wol komt daar vandaan, en al die wol is wit.
Logisch natuurlijk, want met witte wol heeft de industrie een zekere basis bij het verven van de garens. De kans is groot dat het verfrecept bij alle baden dezelfde kleur geeft.

Dat is anders bij grijze, grauwe en bruine schapen. De schapenrassen die niet alleen maar wit zijn, zijn dan juist vaak ook een beetje van alle schakeringen. Lichter en donkerder, meer of minder gevlekt. Zo krijg je nooit een constante basiskleur en deze rassen zijn, ondanks vaak bijzondere goede kwaliteit wol, veel minder populair.

Ik heb nu een experiment gedaan met de vacht van één Jakobsschaap (wit met bruine vlekken). Om alle 10 strengen van 50 gram van de zelfde nuance te laten zijn, moest ik ze onderling wel tot 8 keer mengen en opnieuw kaarden. Een behoorlijk karwei.

Deze grijze wol ben ik vervolgens gaan verven met de cochenille. Het is mij opgevallen dat juist grijze wol zulke mooie intense kleuren geeft. Er zit meer diepte in, lijkt het wel.

Om die reden heb ik wat wol uit Zweden gekocht van het Gotlandsschaap. Prachtige grijze krullen. De wol is nu gewassen en wordt het uitgangspunt voor nieuwe experimenten.